Als je reist, kom je per definitie in aanmerking met andere culturen. Soms culturen met gewoontes en rituelen waar niemand meer iets aan doet, maar altijd met de cultuur van het land dat je bezoekt. Mensen ‘doen’ gewoon anders dan dat jij gewend bent - en meestal is dat geen probleem. Als je reist, stel je tenslotte ook flexibel op en aanvaard je de verschillen juist als interessant en leerzaam. Maar soms…
You are currently browsing the archive for the Peru category.
Het is geen wereldbol meer - hopelijk is dat tijdelijk. Maar we hebben een wereldkaart op de kop getikt voor 3 soles (75 cent) en daar doen we het voorlopig mee, dus de telling gaat gewoon door! Nederland staat ook op de kaart, maar de vorm is twijfelachtig en de hoofdstad is Amsterdan…?!
Op de kaart kun je het grootste stuk van de route zien die we tot nu toe afgelegd hebben. Het lijntje stopt in Tumbes, met de Engelse-drop kerk, en terwijl ik dit schrijf zitten we al in Machala, net in het roze vlekje dat Ecuador heet.
In Tumbes hebben we nog een boottocht gedaan tussen de mangrovebomen en langs een eilandje vol met aalscholvers, reigers en pelikanen. En toen nog een bordje cebiche op het strand… dat was een lekker dagje.
De mensen in Tumbes zoeken schelpen bij laag water, de conchas negras. We zagen verschillende mannen tot hun oksels in de blubber staan. Ze kruipen tussen de wortels van de mangrovebomen door op zoek naar de schelpen. In het juiste seizoen vangen ze ook krabben. Alles voor de cebiche!
Diep tussen de mangrovebomen is een soort krokodillenboerderij. Ze fokken hier de amerikaanse krokodil omdat die bijna uitgestorven is, en uiteindelijk moeten deze beestjes uitgezet worden.
Bij de cebiche en gefrituurde vis kregen we trouwens een lekker flesje Inka Kola. Dit is echt de nationale drank van Peru. Een geweldig vies geel uitziend drankje dat het glazuur van je tanden doet springen (maar dat doet gewone cola natuurlijk ook). Het smaakt… nou ja, je kan eraan wennen, maar dat doe ik liever niet. En wat dat betreft was die fles van bijna 2 liter misschien wel een beetje groot. Helaas zag ik dat er op staat dat het geproduceerd wordt in Ecuador, dus de komende twee weken…
In Nederland liggen de paaseitjes vast al zo´n drie maanden in de schappen. Ik zag ze hier twee dagen geleden voor het eerst, 1 klein kartonnen schap in een heeeele grote supermarkt. Niet echt veel eitjes dus, dit jaar…, maar voor jullie allemaal: Vrolijk Pasen!
Ondertussen zitten we alweer in Tumbes, laatste stop in Peru, 30 minuten van de grens. We werden door een man die bij ons in de taxi stapte, bepraat: de grens zou vanavond voor 10 dagen dicht gaan vanwege een staking in Ecuador, dus hij ging ons meteen meenemen naar de migratiepost. Ho ho, wacht even - wij willen naar een hotel. Grens dicht of niet, dat gaan we wel even navragen. En dat deed ik bij de politie, die natuurlijk zei dat er niets aan de hand was, anders dan dat het vandaag (Goede Vrijdag) een feestdag is. Dus wij zitten prima in ons hotel, en gaan mooi een andere dag de grens over - en zeker niet met dat mannetje. Na het incident met de tas is mijn achterdocht weer op een hoog niveau…!
Tumbes heeft een hele mooie kerk, met Engelse drop kleurtjes langs de randen van de torens. Deze is nu helemaal vol, vanwege Goede Vrijdag. Dat is hier de feestdag, er is geen Tweede Paasdag. De kerk is ook ongeveer het enige dat open is, alle winkels, locutorios (telefoonwinkels), restaurants zijn dicht. Alleen de Chinees was open en daar stond de TV op live weergave vanuit Rome, de Paus die daar zijn ding doet. Maar ondertussen had de Chinese baas wel een fikse woordenwisseling met iemand die een factuur had gewild maar niet kreeg, of zoiets.
Gisteren waren we in Mancora, een badplaats. Heel veel surfers, omdat de golven behoorlijk hoog zijn. We hebben dus vanmorgen lekker op het strand gezeten om surfers te kijken. En toen zijn we maar naar Tumbes gegaan, want duiken was niet mogelijk: het regenwater uit de rivieren maakt het zicht te slecht.
Morgen of overmorgen gaan we de grens over en zitten we in Ecuador. De route voor zover gepland: Machala - Cuenca - Riobamba - Banos - Quito - Otavalo. En dan naar de Galapagos!
Het verkeer hier in Peru is wel wat anders dan in Chili en Argentinie. Daar is het nog redelijk georganiseerd. Hier is het gewoon een zooitje, maar wonder boven wonder gaat het wel goed. Wellicht dat dat komt door het verfijnde toetersysteem dat men hier veelvuldig hanteerd. Inmiddels hebben wij een beetje door hoe het werkt. Het gaat niet alleen om hoe men toetert, maar ook in welke context.
Uiteraard heb je de ´tuut tuut´ voor ´hé lekker ding, kijk mij eens op mijn mooie taxiscooter´ en ´hé moppie, waar kan ik je heen brengen?´. Maar het systeem is veel uitgebreider dan alleen dit.
We hebben snel Trujillo verlaten en zitten nu in een lekker hotel (tegenover het politiebureau) in Chiclayo. Het belangrijkste wat je hier kunt bezoeken, is de Señor de Sipán. Het graf van deze meneer (en zijn overgrootvader van moeders zijde) is ongeschonden gevonden door archeologen en bevatte rijkdommen - daar hebben ze een speciaal museum voor gebouwd. Het is te vergelijken met Toetanchammon, zeggen ze.
Eerst bezochten we de geërodeerde tempels van Sipán, waar het graf gevonden is. Rondom de man, in hetzelfde graf, zijn nog 8 mensen gevonden: zijn vrouw, zijn 2 minnaressen, zijn administratieve ‘minister’, zijn belangrijkste krijgsman, twee soldaten en een 10-jarig jongetje. Deze mensen zijn allen geofferd toen de Señor overleed. Naast het graf zijn andere graven gevonden, van krijgsmannen en een priester. In het graf van de Señor, zijn voorouder en van de priester werd een ongelofelijke rijkdom aangetroffen aan gouden sieraden, keramiek, sieraden van schelpen en nog veel meer.
Al die rijkdom ligt in een museum, waar we alles bekeken hebben. De deta
ils van de oorbellen, neusplaten, schelpenkettingen zijn fantastisch en ongelofelijk. Ze konden echt kunst maken met goud (uit de Amazone), zilver, turquoise (uit Peru), lapis-lazuli (uit Chili) en schelpen (uit Ecuador). Jammergenoeg mag je niets fotograferen en heb ik geen ansichtkaarten gezien, dus ik kan alleen proberen in woorden uit te drukken dat het schitterend was. Zo fijn.
Er zijn een soort kettingen gevonden van bijna een cirkel rond en 30 cm breed, gemaakt van rijen kraaltjes van schelp - bijna perfect rond. En dan ook nog met mooie vormen en kleuren. Werkelijk fantastisch!
Daarna hebben we de adobe-stad van Túcume bezocht. We moesten even klimmen, maar dan zie je echt hoe groot zo’n stad is geweest. Wel zonde dat er door de erosie niet veel meer van over blijft dan wat brokkelende piramides. Maar ook hier zijn ze nog op zoek naar graven, tempels en dingen die beter uitleggen hoe deze cultuur geleefd heeft.
Gisteren zijn we doorgereisd naar Chiclayo. Vandaag gaan we ook hier een toertje doen. Oa. de beroemde man van Sipan bezoeken. In Trujillo hebben we een ook een 2-tal toers gedaan. De sites daar zijn ook zeer bijzonder. Weer heel anders dan in zuid-peru. Iedereen kent de Inca’s, maar die cultuur heeft maar zo’n 300 jaar bestaan. De culturen hier, de Mocha en Chimu, hebben meer dan 1000 jaar bestaan. Gisteren oa de tempel van de zon bezocht. Er zijn diverse orginele muurschilderingen/reliefs gevonden in orginele kleuren. Zeer mooi. Foto’s komen snel.
Morgen reizen we waarschijnlijk door naar Mancora, het beachdorpje van Peru waar hopelijk gedoken kan worden.
Misschien heb je wel eens gemerkt dat onze site soms onbereikbaar is. Dat wordt veroorzaakt door een foutje van de provider. Om dat te fixen gaat onze server morgen verhuisd worden naar een andere machine. Dat betekend een wijziging van het IP-adres en dus kan onze site dan even onbereikbaar zijn, maximaal 24 uur als het goed is. Wij zullen de komende paar dagen waarschijnlijk niet online zijn, dus we kunnen alleen maar hopen dat alles ok gaat.
Rond Trujillo kan je ook Huaca de la Luna bezichtigen, een tempel voor de maan, gebouwd door de Mochica-cultuur. Na Chan-chan gisteren, waren we voorbereid op dikke muren en veel adobe-stenen. Maar het gaat hier baas-boven-baas…
Huaca de la Luna bestaat uit 5 tempels die over elkaar heen gebouwd zijn. Er wordt een tempel gebouwd en na een periode van zo’n 50-100 jaar wordt er over deze tempel heen gebouwd - een grotere. En dat gaat een paar eeuwen (de eerste t/m zesde eeuw na Chr) zo door, en dan heb je dus een hele grote tempel. Van de vijfde, grootste tempel is bij Huaca de la Luna niet veel over, door regenerosie en plunderingen (die stomme Spanjaarden weer, en ook wat Peruanen).
Maar na wat nette afgravingen door archeologen troffen ze de muren van de vierde en derde tempel aan. Die zijn versierd met ongelofelijk mooie reliëftekeningen van hun
belangrijkste god (die er een beetje afschrikwekkend uit zag, om wat ontzag in te boezemen). Echt bijzonder dat dit allemaal bewaard is gebleven! Er zijn ook een aantal graven gevonden hier met mooi aardewerk. En toen we dachten dat we alles gezien hadden, kregen we de buitenkant van de vierde tempel te zien: op ieder niveau zijn andere reliëftekeningen gemaakt: krijgers met gevangen, dansende priesters, spinnen, een slang… heel mooi, en ze zijn nog steeds aan het schoonmaken…
Het was alweer een tijdje geleden, maar hier is hij weer: de wereldbol. En helaas (voorlopig) voor de laatste keer…
De wereldbol staat hier op het plein van een van de paleizen in de adobe-stad Chan-chan. Een paleisje van 11 hectare, met een lengte van anderhalve kilometer. De omringende muur heeft maar 1 ingang, en de muren zijn echt heel dik. Dat ze nog staan na zo lang, komt vooral door de manier van plaatsen van adobestenen: in kolommen van een meter of 3 breed. Bij een aardbeving bewegen die langs elkaar en heffen de trillingen op. Dus aardbevingen hadden ze onder de duim. Maar regen - dat was desastreus. Door de eeuwen heen heeft de regen de grootste schade aangericht aan deze gebouwen van klei - want hoe stevig ook, dat zijn het. En af en toe een El Niño-fenomeen waardoor het extra hard regent, helpt niet.
Wij stelden de gids voor om Chan-chan dan maar te overdekken. Het is 20 km2 groot…
… was ik mijn tas kwijt. Met fototoestel, horloge en zonnebril. En ook de wereldbol en met prettige hoedje. #$%^&
Na de tour naar Chan-chan zijn we iets gaan eten in een pizzeriaatje. Daar had ik mijn tas op tafel gelegd terwijl ik naar de wc ging. Toen ik terug was, kwam er een man aan een tafeltje tegenover me zitten en opeens viel er een telefoon bij mijn voeten. Wij keken allebei, ik pakte de telefoon - en op dat moment is mijn tas gestolen.
Hoef niet uit te leggen dat we daar ont-zet-tend van balen. Natuurlijk kennen we alle verhalen - nou ja, deze variant met de telefoon was nieuw - en we weten ook dat je je tas niet los op tafel moet leggen. Maar ja. Je doet het een keer anders en net op dat moment loopt er een trio dieven met een kapotte telefoon en een ‘leuk’ idee langs.
’s Avonds zijn we meteen naar de politie gegaan, en de volgende ochtend weer voor een mooie aangifte (geprint op een matrixprinter). Die hebben ook nog eens gezegd dat ik toch wel een beetje stom was, dus ja - ik weet het. De verzekering mag aan de slag…
Ik ben mijn camera dus kwijt en vervangen is hier een beetje moeilijk - ze verkopen nog wel de Canon 350D en ook de 400D, maar alleen met de standaardlens - en die wil ik niet, want ik had een mooie 17-85 mm lens. Na een paar dagen afwegen hebben we besloten een digitale compactcamera te kopen (dat is een Lumix geworden) en te wachten met iets anders tot in de USA. Als iedereen nou even hoopt dat die dollar lekker laag blijft en de verzekering fatsoenlijk uitkeert, koop ik misschien wel een 400D.
Al met al baal ik nog iets minder van het toestel (waar gelukkig niet veel foto’s op stonden) dan van de wereldbol, de geweven tas uit Chili (zie deze foto) en de geweven band van een eiland uit het Titicacameer die ik aan het fototoestel had bevestigd. En o ja, zonder zonnebril kan je hier niet buiten zijn, dus ik ben aan nummer 3 van deze reis begonnen…
Kortom, balen en verder gaan…
Hier in Trujillo (en verder naar het Noorden) hebben de oude culturen andere sporen achtergelaten dan de Inka’s en de Nazca’s in het Zuiden. Die bouwden met stenen, dus die gebouwen zijn prima terug te vinden (als je wat bomen weghaalt). Maar de Mochica’s, Chimu en Sican culturen (o.a.) bouwden met adobe, zoals nu nog gebeurt in de warme gebieden. Het is een mengel van zand, schelpen, riet, guano (vogelpoep) en ze maken er stenen van (zo’n 40×40x20 cm) die ze op elkaar stapelen.
Bij Trujillo zagen we eerst de Huaca Arco Iris, een tempel voor de regenboog-god. Hele dikke muren - allemaal gemaakt van de op elkaar ‘gemetselde’ adobe-stenen. In de buiten- en binnenmuren zijn fantastisch knappe reliëftekeningen gemaakt; in dit geval natuurlijk met regenbogen en diverse goden. Deze tempel is uit de Chimu-cultuur (rond 1200 na Chr) en die Chimu hadden het wel slim bekeken, de elite dan. Die lieten de bevolking hun beste producten inleveren als offer aan de goden, zodat er regen komt, maar tegelijk als belasting.
Daarvan zagen we het voorbeeld in Chan-chan, de grootste stad van adobe: 20 km2 met adobe muren, ongelofelijk. Er staan 9 paleizen, waarvan we de op één na kleinste hebben bekeken. Deze heeft een buitenmuur van zes meter dik aan de basis, en een oppervlakte van 11 hectare. Ik herhaal: dit is bijna het kleinste paleis! We hebben er dik een uur gelopen. Er zijn drie pleinen, en op het eerste kon de bevolking hun producten inleveren (zie foto). Verder
naar achteren (er zat maar één deur in de hele muur die het paleis omringt) komen dan de ‘belastingkantoren‘ met een ingenieus visgraatvormig airconditioningsysteem. Want adobe is leuk, maar het houdt wel de warmte vast. En regen heb je hier nauwelijks… (vandaar dat de adobe-gebouwen uberhaupt nog niet helemaal weggeregend zijn). Helemaal achterin ligt de hoofdbewoner (’koning’) van het paleis begraven, begeleid door zijn trouwe ministers, dienaren, vrouw, krijgsmannen… Zij werden gedrogeerd met cactusdrank en na hun dood met hem begraven. De volgende koning kon zo met een schone lei (een eigen, nieuw paleis, nieuwe ministers, dienaren etc) beginnen.
Dit was een indrukwekkend bezoek. De muren zijn gedeeltelijk gerestaureerd, maar niet helemaal. Af en toe moet je er wat meters bovenop denken. Maar er zijn ook genoeg muren waarop de mooie reliëfs nog te zien zijn: de vissen en pelicanen bijvoorbeeld, schitterend. Het is dus heel anders dan zuid-Peru, maar zeker zo mooi!
Na een hele tijd reizen waren we eindelijk weer in ‘de grote stad’, Lima. Het hotel zat aan de kust, in de wijk Miraflores. Prima, want dichtbij een kleine mall met uitzicht op het strand vanaf een klif. We hebben natuurlijk ook het centrum van Lima bekeken: grote kerken, de kathedraal en diverse kloosters. Omdat we inmiddels in de gaten hadden dat we toch wel moeten doorreizen als we in Ecuador ook nog iets willen zien, hebben we het centrum verder gelaten voor wat het is.
De tweede dag hebben we wel nog een pakket verstuurd. Dat heeft wat voeten in de aarde: eerst moet je weten wat je gaat versturen, dan heb je een doos nodig. Deze keer vonden we die in een supermarkt, de vorige keer in een libreria (kantoorboekhandeltje). Dan moet je dus weer terug naar je hotel om alles in te pakken, en de doos zelf ook in te pakken. Dan adresseren en met de hele handel naar het postkantoor. In Arica moest ik daar de doos weer openmaken voor de douane (heb je net een kilometer plastic erom gedraaid, kan je
weer beginnen…), in Lima gelukkig niet. Bij de post vul je een formuliertje in dat 4 keer moet doordrukken, en dan lever je een kopie van je paspoort in en moet je ook nog je vingerafdruk erop zetten. Dan betalen en ein-de-lijk kan het weg. Daar ben je dus een uur of drie, vier mee bezig als het tegenzit.
Afijn - we hebben ook nog onze vrienden Florence en Sander een déja-vu bezorgd door foto’s te maken op dezelfde plaatsen waar zij een jaar of 4 geleden waren, dat was erg grappig om te doen
En dat was Lima. Het leukste detail in Lima: de hotelkraan. Die wil ik ook!
Na een nachtje Pisco vanuit Paracas, zijn we doorgereisd naar Lima. Het is groot, druk en veel te veel toeristen (vooral Amerikanen). Gisteren hebben we geprobeerd om een duikshop te vinden in de wijk Chorrillo. Dat viel nog niet mee omdat enerzijds lang niet alle straten een naambordje hebben, veel limaneze de straat niet kenden en veel ons erop wezen dat het er gevaarlijk is en we niet opzichtig met geld en camera moeten rondlopen. Uiteindelijk met hulp van een klein vrouwtje de straat gevonden, maar geen duikshop. Op het adres zat een restaurant waarboven iemand woont die iets met duiken doet. Dan maar niet. In het noorden in Mancora schijn je goed te kunnen duiken, dus dan maar een dag eerder hier weg zodat we daar meer tijd hebben.
Tijd begint nu toch aardig te dringen. Over een maand precies vliegen we van Quito naar de Galapagos en we moeten noord Peru en Equador nog doen. We gaan dus niet te lang in Lima blijven. Vandaag druk op zoek geweest naar een lege doos om weer spullen naar NL op te sturen. We verwachten dat vanaf hier het warm blijft, dus onze truien en jassen gaan op de post. Samen met dvd’s van foto’s, een lama kaarsstandaard en nog meer souveniers en zooi die we kwijt willen. Nu nog een postkantoor zoeken en een bus voor morgen regelen. Op naar Trujillo.
Vanuit het dorpje Paracas, waar we een hotelkamer hebben met zee-geluid, hebben we een boottour gedaan naar Islas Ballestas. Dit zijn om verschillende redenen bijzondere eilanden. Ten eerste zitten er honderdduizenden vogels. Of meer. Humboldt pinguins, pelikanen, diverse soorten aalscholvers en sternen (waarvan de Inkastern de mooiste en meest speciale is). Ten tweede poepen die beesten dat het een lieve lust is. En al die poep verzamelt zich op de rotsen (ooit 3 meter hoog), en wordt eens in de zeven jaar afgeschraapt om als meest perfecte kunstmest te worden verkocht.
Ten derde is het gewoon een mooie rotspartij in zee, met doorkijkjes en tunnels. Ten vierde wonen daar honderden zeeleeuwen: mannetjes, vrouwtjes en nu ook kleine hummels van zo’n 2 meter lang. En ten vijfde is het leuk om te kijken hoeveel geluk je hebt - kan je daar een uurtje rondvaren zonder een kwak guano op je hoofd te krijgen?
Dat zijn dus de Islas Ballestas in een notedop. De reden dat hier zo ontzettend veel dieren zijn, is natuurlijk dat er ook heel veel vis (en wel ansjovis) zit. Dat heeft dan weer te maken met de Humboldt-stroming, die vanuit Antarctica hierheen stroomt - en die tevens een van de redenen is dat er hier zo weinig regen valt (1,68 mm per jaar) en de bijna hele kust van Peru dus woestijn is. Maar dat is wel heel biotechnische informatie…
Wij zagen gewoon wit gepoepte rotsen met HEEL VEEL vogels, zo veel dat het er letterlijk zwart van zag. Van dichtbij zagen we de knappe inkastern: donker, met een witte veer achter het oog, een soort oorbel. Ook aalscholvers met rode poten en snavel, en boobies met witte koppen, pelikanen die zo mooi over het water zweven, en wat pinguins met jongen.
Maar de zeeleeuwen wonnen het. Wat een herrie maken die! Ze schreeuwen wat af. Jongen roepen om moeders en andersom, en de vaders schreeuwe het hardst om hun territorium te verdedigen. Op sommige plekken zaten er zo veel, dat je ze over elkaar heen zag klimmen. Schitterend!
En ja, we hadden geluk: van al die duizenden vogels heeft er geen eentje op ons hoofd guano achtergelaten! 
Naast Islas Ballestas kan je hier ook het woestijnachtige schiereiland van Paracas bekijken. Waar wij nieuwsgierig naar waren, was de rotsformatie El Cathedral. Onze vrienden hebben die voor de aardbeving gezien (en wij hun foto’s) - en tijdens de aardbeving is deze ingestort. Inderdaad was het echt kathedraal-achtige er een beetje af. De grote ‘tunnel’ die (volgens mij) het schip voorstelde, is ingestort. Het ‘grappige’ is, dat je op de ‘voor’-foto de scheur eigenlijk al kan zien zitten. Niettemin blijft het een mooi uitzichtspunt! (Klik voor de voor- en na-foto)
Op het schiereiland hebben we mooie woestijnlandschappen gezien, heel apart, zo vlak aan zee met al dat water. En we hebben verse vis gegeten in een klein haventje. Lekker! Terug in Paracas genieten we van het strand en de kleine restaurantjes langs de ietwat gehavende boulevard. De pelikanen zweven langs en het zonnetje schijnt…
Vanuit Nazca zijn we eerst naar Ica gegaan. Een gezellige grote stad, met een groot, 10 dagen durend festijn ter gelegenheid van ‘de druif’. En dan met name de druif waar ze hier pisco van maken, de nationale alcoholische drank, en wijn.
Het festival leek meer op een kermis met een mini-draaimolen van twijfelachtige draai-kracht, tientallen tafelvoetbaltafels, een soort gokspelletjes, vlees van barbecues en dergelijke. Maar er waren ook tientallen kraampjes waar de bodega’s uit de omtrek vertegenwoordigd waren. Zij lieten hun wijnen, pisco’s en cachina zien en proeven. Cachina is een roze-achtig bijproduct van de wijnproductie en smaakt naar een sterk drankje met een wijnsmaak. Beetje bijzonder dus. Met een flesje cachina in de hand hebben we het concert van de ‘no-se-quien-y-no-se-cuandos’afgewacht (vrij vertaald: de ‘ik-weet-niet-wie-en-niet-wanneers’), maar toen die begonnen te spelen was die cachina ineens erg snel op - het was geen succes…
Ica is, net als Pisco, getroffen door de aardbeving op 15 augustus 2007. Deze vernielde voornamelijk Pisco, maar Ica kwam er niet onbeschadigd vanaf. Hier en daar zijn huizenblokken gewoon weg en ligt het kale beton open, blijkbaar wachtend op nieuwe bebouwing. Ook de koepel van een kerk ligt voor een deel open en is duidelijk nog kapot. Dit zijn toch wel rare dingen om te zien.
In Pisco is dat nog veel erger. In dit dorp zijn vele huizenblokken weggeslagen. De meeste troep is nu opgeruimd, maar slechts hier en daar wordt opnieuw gebouwd. Er staan wel veel kleine houten huisjes - noodoplossingen voor de bewoners van ingestortte huizen. Een taxichauffeur vertelde ons het volgende over de aardbeving:
“Het begon tegen zessen ’s middags en duurde 3 minuten en 4 seconden. Ik bracht net de koffers van een echtpaar in een hotel en kon de kamer eigenlijk niet uit. Het schudde alle kanten op en je kon niet op je benen blijven staan. Het licht viel ook vrijwel direct uit.
Veel scholen zijn vernield, maar gelukkig waren de klassen al uit. Ook de kathedraal is volledig verwoest, daar vielen wel doden bij, net als een hotel van zeven verdiepingen - kijk, dat stond hier (er is een stratenblok volledig leeg, geen bebouwing of rommel). Hier is het strand: na 25 minuten was er een tsunami die veel huisjes van klei en bamboe heeft weggespoeld.”
Dat was toch wel een indrukwekkend verhaal. Als je door dit stadje loopt, voel je je aan de ene kant een beetje een ramptoerist. Er is geen stratenblok dat niet beschadigd is: soms staat er nog één huis, daarnaast ligt of lag alles in puin. Ook aan de Plaza de Armas staan nog ruïnes van huizen of hotels, maar daar wordt ook alweer gebouwd. De torens van de kathedraal staan echter nog zielig alleen. Tussen de torens, op de plek van het schip, is een groene ‘partytent’ opgezet, zodat de missen weer op de juiste plek gegeven kunnen worden (zie foto). Maar een half jaar na dato blijkt dat er nog wel heel veel moet gebeuren.
Wat ons wel opvalt is dat iedereen ons hier vriendelijk groet (er zijn niet zo veel loslopende toeristen) én dat dit de eerste plaats in Peru is waar nog niemand om geld gebedeld heeft: iedereen is toch wel hard aan het werk.
‘Gelukkig’ regent het hier in Pisco nauwelijks, dus veel mensen kúnnen zonder echt dak boven hun hoofd leven, maar dat is natuurlijk niet zoals het hoort te zijn. En ‘gelukkig’ lijkt zo’n aardbeving als deze maar eens in de 30 jaar voor te komen. Waarschijnlijk is Pisco zo rond 2037 de aardbeving uit 2007 net te boven…
Nu we een tijdje op reis zijn, heb ik af en toe een kleine identiteitscrisis als iemand vraagt wie ik heb of hoe ik heet. Het antwoord is namelijk afhankelijk of het een Spaantalig of Nederlandstalig iemand is of dat het formeel of informeel is.
Toen we voor het eerst naar Costa Rica gingen in 2001 sprak ik nog geen spaans. Ik heb daar toen gevoetbald met de Nederlandse vereniging waarvan het team voor de helft uit Nederlanders en voor de helft uit Costaricanen (bekend met of in dienst van Nederlanders) bestond. Omdat mijn naar lastig is in het spaans, werd ik ‘Ocho’ genoemd naar het nummer 8 dat op mijn shirt stond.
In alle (Zuid-)Amerikaanse landen moet je bij binnenkomst (en soms bij vertrek) een immigratieformulier invullen. Ik geloof dat we zo’n 7 keer tussen Argentinië en Chili op en neer zijn gegaan, dus we hebben nogal wat van die formulieren ingevuld. Omdat in mijn paspoort mijn doopnamen Johannes Josephus Adrianes staan, vulde ik altijd maar Johannes in op het immigratieformulier. Vaak, maar lang niet altijd, willen ze in een hostel ook je paspoort zien voor het registreren. Meestal denken ze dat ‘Johannes Josephus Adrianes’ mijn volledige naam is en moet ik, als ik zin heb, ze even wijzen waar mijn echte achternaam staat anders schrijven ze die niet op.
Alle mensen hier in Zuid-Amerika zijn bijzonder vriendelijk en behulpzaam. Vaak stellen ze zich voor met uiteraard de vraag hoe wij heten. Omdat ‘Joost’ wat moeilijk is voor de spaanstaligen, antwoord ik maar met ‘Jose’ (Uitspraak [gosee] op z’n spaans en niet [jozee] op z’n nederlands uiteraard). Toen we in Ushuaia waren vertelde de duikgids me dat mensen die Jose heten in Ushuaia ook wel ‘Pepe’ genoemd worden met als gevolg dat ik de rest van de duiktrip dus Pepe werd genoemd.
Tegen alle niet-spaanstaligen zeg ik meestal gewoon dat ik Joost heet. Engelstaligen kunnen dat meestal niet uitspreken en vragen soms hoe je het schrijft. Soms geeft ik naar de juiste spelling ook de alternatieve spelling ‘Yooost’ waarna ze het meestal beter uitspreken.
Zo zie je maar, het is soms lastig om te antwoorden hoe ik heet; Joost, Jose, Johannes, Pepe, Ocho. Dus wil je het je kind makkelijk maken in het buiteland: kies één naam die zowel in het Nederlands, Spaans als Engels te gebruiken is en laat die katholieke namen lekker zitten. ;)))
Zo af en toe heb je zo’n dag met het ene leuke moment na het andere. Gistermiddag zijn we aangekomen in Ica na ’s morgens over de Nasca en Palpa lijnen gevlogen te hebben wat een ontzetten mooie en leuke ervaring was. Nadat we eerst in een hostel ingechecked hebben, zijn we naar een plein in het centrum gelopen. Alle plaatsen in Peru lijken een ‘Plaza de Armas’ te hebben, dus zo ook Ica. Over het algemeen, staat zo’n plein vol met bankjes. Natuurlijk, en zeker in het weekend, zijn alle bankjes met ook maar een beetje schaduw bezet. Dus dan maar in de zon zitten. In het midden van het plein staat een enorme zuil en daaromheen is wat water met een verhoginkje hier en daar. Al zitten op het plein kan je leuk naar alle mensen kijken die er ook zitten of voorbij lopen. Er zijn veel vrouwen, of liever gezegd meisjes zo rond de 20, die of zwanger zijn of al met een (of meerdere) kindjes lopen. Het is altijd leuk om naar spelende kindjes te kijken. En helemaal als zo’n kindje de zwaartekracht voor het eerst ontdekt. Het jongetje zette een fles water bovenaan een klein hellinkje. Dan gebeurd er nog niets uiteraard. Maar als je ‘m nou omduwd, dan rolt ie naar beneden. Snel naar erachteraan om al vallent de rollende fles weer te pakken. En hup weer naar boven om het nog eens te doen. Grappig zoals kinderen iets leuks over en over kunnen doen. Na een aantal keer zette ie de fles onderaan het hellinkje en duwde de fles daar om. Dan gebeurt er niets natuurlijk. Dus dan maar een zetje geven de helling op. Komt de fles gewoon weer naar beneden! Nou ja. Blijkbaar was het niet leuk genoeg dus werd de fles weer bovenaan weggezet. En zo ging het jongetje nog een hele tijd door.
Even verderop was een klein meisje dat al een beetje kon lopen. Trapje op ging nog wat moeizaam, maar kruipent kom je ook een heel eind. Omdat er water in de buurt was, liep vader beetje met het meisje mee. Uiteraard is het water zeer aantrekkelijk en dus ging de vader tussen haar en het water staan zodat ze er niet in kan vallen. Hé, dat lijkt wel of je daar niet heen mag. Dus maar proberen om om haar vader heen te lopen, wat niet lukte uiteraard, maar aan het schaterlachen van het meisje te horen vond ze het enorm leuk.
Na een tijdje besluiten we een nog een blokje om te lopen voordat we terug gaan naar het hostel. Halverwege komen we bij een hoek waar het een drukte van belang is. Het lijkt wel Wallstreet. Allerlei mensen lopen met een papier te zwaaien en druk te gebaren. Navraag leert ons dat op een pickup de zoon van voormalig president Fujimora zit en dat iedereen een handtekening van hem wil op een grote foto van de voormalig president en zijn vrouw. Een vrouw loopt te roepen door zo’n schreewtoeter dat dit DE kans is op zo’n mooie handtekening. Men gebaart naar ons of wij er niet een willen, maar we bedanken vriendelijk, kijken nog even naar het bizarre tafreel en lopen dan verder.
In een centrum zitten op de stoep vaak mensen die op een een of andere manier geld van je willen. Sommigen bedelen, als je een kind hebt met een gebroken been kan ie in een stoel misschien wat geld opbrengen, maar de meesten willen je wat verkopen, meestal snoepgoed, of bieden een dienst aan zoals schoenenpoetsen. De meeste negeren we, maar gisteren liepen we langs een vrouw die naast wat snoepgoed een weegschaal had staan waarop je je voor 30 cent kon wegen. We liepen er eerst voorbij, maar eigenlijk waren we wel benieuwd wat we nu, na 5 maanden reizen, wegen. Dus even teruggelopen en op de weegschaal gaan staan. Volgens die weegschaal weegt Esther nu 65kg, 5kg minder, en ik 75kg, ruim 7,5kg minder dan toen we vertrokken. We weten niet hoe nauwkeurig die weegschaal was, maar voor 60 cent die het wegen kostte hadden wij een blij moment.
Die lijnen van Nazca. Sommige zijn zo lang dat je ze aan de horizon ziet verdwijnen. Andere zijn gemaakt in de vorm van mooie figuren. Soms zijn het vlakken: driehoeken of rechthoeken. En niemand weet zeker waarom ze gemaakt zijn, laat staan hoe.
We hebben diverse video’s en presentaties gezien en er zijn een aantal mogelijkheden:
1. Het waren buitenaardse wezens die met hun ruimteschepen een landingsbaan maakten (Erich von Däniken)
2. Het waren astronomische figuren die wezen naar het opkomen en ondergaan van de sterren en de zon (Maria Reiche)
3. Het waren ‘gebeden’ aan de goden, om toch vooral een keer voor regen te zorgen in deze droge gebieden.
De rit van Cusco (hoog in de bergen, 3300 meter) naar Nazca (50 km van de kust, 600 meter hoog) is een lange. Wij namen een bus overdag, waardoor we zagen dat we door prachtige valleien reden, toen weer met 30 haarspeldbochten omhoog gingen naar de hoogvlakten van de Andes, waar de kuddes alpaca’s grazen. En nog meer kuddes alpaca’s. En nog meer. Na uren lang rijden gingen we weer met haarspeldbochten omhoog, nog een hoogvlakte, nu bedekt met nevel bij de zonsondergang. Om 20:00 ’s avonds bleken we niet in Nazca, maar in een klein bergdorpje te zitten - we moesten nog eens 4 uur rijden, nu naar beneden. De bergen werden steeds kaler, woestijnachtiger (voor zover we dat in het lamplicht van de bus konden zien) en toen waren we, na een rit van zestien uur, om 12:00 ’s nachts in Nazca.
Nazca is vooral bekend om de mysterieuze lijnen, maar natuurlijk is er meer te zien. Wij bezochten Chauchilla, een begraafplaats uit de Nasca-cultuur. Veel van deze ondergrondse graven zijn uitgegraven door grafrovers, maar een aantal zijn bewaard gebleven. Die zijn nu ook open, maar je kunt daarin zien hoe de mummies en hun offergaven bewaard zijn gebleven. Een beetje raar is het wel.
De bergen om deze begraafplaats bevatten allerlei mineralen, en daar zit ook goud in. Bij een kleine werkplaats kregen we uitleg over hoe ze het goud uit de rotsen halen. Uit 60 kilogram rotsen halen ze 1 gram goud - en dat is een hoop werk: eerst alles tot poeder vermalen, en dan in een soort wip / vijzel wordt er kwik en water bij het poeder gedaan. Het kwik hecht zich dan aan het goudpoeder. Vervolgens wordt dat amalgaan verhit: het kwik wordt weer vloeibaar en je houdt goud over. Een heel bewerkelijk proces, en kwik is nou ook niet zo’n gezond materiaal…
We zijn ook naar een werkplaats voor keramiek geweest. De man die het uitlegde, bewerkt de klei op de manier zoals de oude Nazca’s dat ook deden. Na het kleien van een potje met twee tuiten (de typische potjes van hier) en het drogen, beschildert hij ze met vermalen mineralen: rood, creme, bruin: allemaal natuurlijke kleuren, maar van stenen dus. Vermengd met water wordt het een verf, die hij met een kwastje met haar van een 1-jarige baby opbrengt. Daarna wordt het gebakken in een oventje: een nacht lang, 900 graden. En dan zit die verf er voor altijd op. Zo lang, dat ze nu in de Nazca-lijnen nog scherven vinden die er mooi uitzien. En dat is dus zo’n 2000 jaar oud!
Nazca zelf is maar een dorpje, en het leeft van het toerisme, met name het vliegen over de lijnen. Dat gingen wij dus ook doen…
De afgelopen dagen, na Machu Picchu, hebben we het lekker rustig aan gedaan. Beetje door de stad gelopen en het Inca museum bezocht. Gisteren zijn we van Cusco naar Nasca gereisd. De meeste bussen gaan ´s nachts, maar omdat wij de Cordillero, het gebergte tussen Cusco en Nasca, wilden zien en omdat we niet in een bus willen slapen, zijn we met een bus overdag gegaan. We vertrokken om 08:00 en zouden om 20:00 in Nasca zijn. Jammer dus. Om 8 uur stopten we ergens om te eten. Pas om 0:00 waren we in Nasca. Snel naar een hostel gegaan en lekker op een bed geslapen. Da´s toch beter dan in een bus.
Dadelijk, vanmiddag, gaan we een tourtje doen naar wat oude graven, goud delvers en pottenbakkers. Morgenochtend zeer vroeg gaan we met een klein vliegtuig over de lijnen vliegen. Niet alleen de Nasca lijnen, maar ook de minder bezochte Pampa lijnen. Daarna nemen we de bus, slechts 2 uurtjes, om te gaan feesten in Ica.
Op de dag dat wij 5 maanden onderweg waren, was het zover: het toeristische hoogtepunt van deze reis tot nu toe: de Machu Picchu.
Vanuit Aguas Calientes zaten wij om 05:30 in een busje, dat ons omhoog bracht naar Machu Picchu. Het mooie van dat anderszins veel te vroege uur, is dat je het langzamerhand lichter ziet worden: de nevels tussen de bergen trekken enigszins op, de donkere vormen van de hoge pieken aan de andere kant van de vallei worden steeds beter zichtbaar… Zou de mist optrekken boven Machu Picchu?
Op de terugweg van Aguas Calientes via Ollantaytambo naar Cusco hebben we nog twee archeologische plaatsen bezocht: Maras en Moray.
Vlakbij het dorpje Maras (waar veel wegen nog uit modderige paden bestaan) loopt een warmwaterstroompje waar veel zout in zit. Al sinds mensenheugenis, dat wil zeggen, ook al voor de Inka’s, wordt het water uit dit stroompje opgevangen in ‘zwembadjes’. Als er zo’n 8 cm water in staat, laat men het water verdampen, en het zout blijft over. Dit proces wordt uitgevoerd in het droge seizoen (dus niet in deze maanden), en nog steeds wordt er zout geproduceerd. Er zijn echt honderden van die zwembadjes, en je ziet de witte afzetting al zitten.
Het zout wordt in zakjes verkocht, maar aangezien wij daar niet zoveel aan hebben, kochten we gezouten gebakken maïskorrels, ook erg lekker!
Moray is een soort Inka-tuinbouwgebied of laboratorium. In een natuurlijke ronde kuil in het landschap hebben zij terassen gemaakt. Door het hoogteverschil ontstaat op ieder terras een ander microklimaat, waar bepaalde producten (maïs, quinoa, aardappels, cocaplanten) beter in groeiden. Of ze teelden de planten zo, dat ze op een bepaalde hoogte beter gingen groeien.
We zijn afgedaald in de grootste kuil - dat was niet echt handig, met die stenen strappen in de terrasmuren. We merkten niet echt veel van het klimaatverschil, want we kregen het al warm van het afdalen en vooral het weer omhoog klimmen. We zitten hier nog steeds op zo’n 3300 meter en dat merken we vooral als we ergens omhoog moeten (trap, helling, Inka-terras…).
’s Middags waren we terug in Cusco en zijn we mee geweest met een tour naar de archeologische plaatsen rondom de stad. Eerst is daar Q’orichancha. Daar waar ooit Inkatempels stonden voor de regenboog, maan, sterren, bliksem, andere elementen en Pacha Mama (Moeder Aarde), staat nu een katholieke kerk. De Inka-tempels staan er nog gedeeltelijk, waardoor er nu een bijzonder combinatie is van Inka-architectuur die hier en daar ruw onderbroken wordt door Spaanse architectuur…
Sacsayhuaman is een soort fort, gebouwd van echt heel grote stenen, die ook weer perfect in elkaar passen. Het staat boven de stad, waardoor je een schitterend uitzicht hebt. Voor de Inka’s was dit een speciale plaats, omdat het ook het hoofd van de poema is: de originele plattegrond van Cusco heeft de vorm van een poema, een heilig dier voor de Inka’s.
Vervolgens bezochten we Q’enko, een tempel voor Pacha Mama, gebouwd ‘in’ een natuurlijke rots. Daarna gingen we langs Puka Pukará, een fort bij het begin van de Inka Trail. En tot slot bezochten we een bron, TamboMachay. Deze gaf al water in de tijd van de Inka’s en hij geeft nog steeds water (en niemand weet waar het begin van deze bron is!).
Zo hebben we dus heel veel verschillende Inka-ruïnes gezien. We hoorden dat er wel 32 verschillende vormen van Inka-architectuur zijn, en ik heb het idee dat we er wel een aantal gezien hebben! Vooral de puzzelachtige manier van stenen plaatsen is knap: stenen van 5 ton passen perfect op en in elkaar. Hoe ze dat voor elkaar gekregen hebben… En dan komen die stenen ook nog uit een groeve die 7 kilometer verderop ligt!
Natuurlijk was de wereldbol mee naar Machu Picchu. (En we hadden veel bekijks van een paar Peruaanse kinderen.) Op de achtergrond zie je het tempelgedeelte, bezaaid met toeristen. Dat is wel jammer - zelfs in dit laagseizoen is het hier vol met toeristen. Die ene foto met zonder toeristen konden we niet maken: we waren dan wel om 6:00 boven, maar naar het uitkijkpunt klimmen had weinig zin met al die wolken, nevel en/of mist.
Op veel foto’s staan dus andere toeristen. Maar ergens was het ook wel een grappig gezicht, al die gekleurde regenponcho’s in allerlei felle kleuren!
Op weg naar Machu Picchu gingen we met een tourtje door de Valle Sagrada, ofwel heilige vallei. Deze vallei is heilig omdat de Inka’s er zo over dachten. En hun reden daarvoor was dat ze daar veel producten konden verbouwen - maar vooral veel (zo’n 175) soorten maïs. Nu verbouwen de mensen nog steeds veel soorten maïs hier. En je kunt het dus ook in allerlei vormen eten: als soep, choclo con queso (van de kolf met kaas), gezouten en gebakken (in plaats van pinda’s)…
Vanuit Cusco reden we de vallei in bij een klein dorpje, volledig omgeven door maïsvelden. Het uitzicht was fantastisch! We reden echter door naar Pisac, een groter dorp. Helaas was het geen marktdag, maar we bekeken wel het religieuze centrum van de Inka-ruïnes daar. Er staan diverse tempels voor de sterren, regenboog, bliksem, zon en maan. De zontempel is het meest bijzonder, omdat deze om een natuurlijke rots
gebouwd is. Dit was onze eerste kennismaking met de Inka-architectuur van de strakke rotsen: rechte hoeken in grote rotsen die allemaal perfect in elkaar passen. En nog aardbevingbestendig ook!
Na Pisac reden we door de vallei, langs de rivier Vilnacota. Deze rivier verandert diverse keren van naam voordat hij in de Amazone-rivier uitkomt en uiteindelijk in de Atlantische Oceaan belandt. Dus het water wat wij zagen, heeft nog een behoorlijke reis voor de boeg.
We kwamen uit in Ollantaytambo. Kleine uitleg van deze lastige Quechua-naam: Ollantay was een man die hier een rustplaats begon, tambo genaamd. Vandaar. Het dorpje is klein
en heeft een grote Inka-ruïne met veel terrassen en bovenop de heuvel een zonnetempel uit een eerdere cultuur, Tiahuanaca. Die tempel heeft veel grote stenen, heel anders dan de zonnetempel van Pisac. Maar ook hier hebben de Inka’s heel precies gekeken naar de zonsopkomsten, speciaal op 21 juni en 21 december, de kortste en langste dagen van het jaar. Op het moment dat de zon opkomt, worden bepaalde delen van de omliggende bergen en de tempel zelf belicht door de zon. Daarmee wisten de Inka’s precies op welk moment zij bepaalde feesten konden vieren, en wanneer ze met zaaien moesten beginnen. Ze waren best slim, die Inka’s, want nog lang niet alle geheimen van deze tempels zijn doorgrond.
Wij bleven in Ollantaytambo, tot de trein van 20:35 naar Aguas Calientes (het voorportaal voor Machu Picchu) vertrok. De kleine straatjes van Ollantaytambo zijn leuk om doorheen te zwerven. Dan waan je jezelf echt in de Inkatijd… De trein nam ons echter mee naar een ‘moderne’ toeristenstad. Aguas Calientes doet zelfs denken aan een soort skidorp: je ziet heel veel toeristen en alleen maar restaurantjes, hospedajes en souvenirshops. Wat een gekkenhuis! Maar je moet wel, als je naar Machu Picchu wilt…
Gisteren zijn we van Puno naar Cusco gereisd. Vandaag een tour geboekt om morgen naar Machu Picchu te gaan. Maandag zijn we terug in Cusco. Dit is een erg mooie stad. We worden alleen een beetje veel lastig gevallen door tourverkopers en lui die je hun restaurant in willen praten. Maar ach, daar ben je tourist voor. We zien hier wel veel meer europeese en amerikaanse touristen dan we tot nu toe in Peru gezien hebben.
Toegegeven, het blijft een redelijk toeristische aangelegenheid. Maar het was wel erg leuk..! We zijn het Titicacameer op geweest met een motorbootje en hebben de drijvende rieteilanden Los Uros bezocht en de eilanden Amantaní en Taquile. Omdat dat te veel was voor een dag, zijn we bij een familie op Amantaní blijven slapen. Een heel bijzondere ervaring op het hoogste bevaarbare meer van de wereld (3810 meter).
Joost kon het niet laten: de muts die eigenlijk bedoeld is voor de kleine meisjes op het eiland Tamantaní moest mee. Ik houd het bij mijn lama-muts en trui van alpacawol…
De wereldbol is hier op het Titicacameer, dat bijna 9000 km2 groot is. Om te zeggen dat het zo groot is als een kwart van Nederland gaat te ver, maar het komt in de buurt. Je ziet het niet zo erg als je op het meer vaart, omdat het allemaal schiereilanden heeft. Dat heeft de oude beschavingen geïnspireerd om in de vorm van het meer een poema, een vis en een gevleugelde man te zien (de vraag is nog hoe zij, zonder satelliet, wisten hoe het meer er van boven uit zag). Over die poema, de gevleugelde man en een slang kregen we nog een heel verhaal van de gids: de oude beschavingen hadden daar een hele religie omheen gebouwd. Nu nog vereren de mensen van Amantaní Pachamama (Moeder Aarde) en Pachatata (Vader Kosmos), al schijnen de scherpe randjes wel van de rituelen af te zijn.
De mensen die in/op het meer wonen, spreken Quechua, gemengd met Aymara. Quechua is de taal die ten Noorden van het meer gesproken wordt, Aymara ten Zuiden. Wij hebben onze gastouders het horen praten, en het is echt niet te verstaan (tenzij ze er een woordje Spaans doorheen gooien).
Het meer is in ieder geval groot genoeg om op onze wereldbol te staan: tussen de gele en groene verf van de hoogvlakten zit een klein, blauw ’gaatje’.
Vandaag van Arequipa naar Puno gereisd. Vijf uurtjes bussen. Ondanks dat je stil zit, is dat toch erg vermoeiend. Hier is het nog steeds carnaval. Vandaag al wat gezien, maar morgen schijnt er ergens een grotere parade te zijn. Verder gaan we ff niets doen. Esther is druk bezig met verhaaltjes schrijven van de afgelopen dagen. Die komen snel online.
We zijn lekker op reis. Na wat rond Arequipa gezien te hebben, zijn we naar de Colca vallei gegaan en hebben drie dagen daar gelopen; 1500m naar beneden de vallei in en daarna weer omhoog. Super zwaar. De beentje deden na de 1e dag al zeer. Vandaag hebben we ze verwend in een termaal bad in Chivay. Morgen gaan we terug naar Arequipa en daarna op naar Puno. Hopelijk daar wat meer tijd om een uitgebreider verslag te schrijven.
De website heeft er tijdelijk even uit gelegen. Dit wordt veroorzaakt door een probleem van de provider die dat op dit moment nog niet kan oplossen. Als gevolg daarvan kan af en toe onze database (voor de website) of het anti-spam process stoppen waardoor of de website het niet doet of we geen mail kunnen ontvangen. We houden de server in de gaten, als er een internetcafe is, en herstarten de processen indien nodig zodat alles weer werkt. Hopelijk heeft de provider het probleem snel opgelost.
Vlak bij Arequipa, op zo’n 220 km (zes uur in de bus!), ligt de Canyon de Colca, een van de diepste canyons van…, nou ja, diep. Wij zijn naar het plaatsje Cabanaconde gegaan, vanwaar trekkings de canyon in gaan. Cabanaconde is echt een durp van onverharde straten, ezeltjes, draagdoeken… Het ligt op 3287 meter hoog.
Wij gingen met Juan Carlos drie dagen op pad: de canyon in, de canyon door en de canyon uit. Ik zal de conclusie vast verklappen: het is zwaar en je krijgt er behoorlijk spierpijn van! Lees verder voor tekst en foto’s!
Ik moest ‘m goed vasthouden, die wereldbol, anders was ik ‘m echt kwijt geweest. Op dit uitstekende stukje rots hadden wij een uitstekend uitzicht over de Canyon de Colca.
We waren ongeveer halverwege de afdaling, en we moesten nog een heel eind: ons doel voor de eerste dag was het dorpje dat rechtsonder ons ligt: San Juan de Chuccho. Je ziet de witte stipjes: de daken van de huizen.
Achter ons liggen Cosñira (rechts) en Malata (links), de dorpjes waar we de twee dag door zouden lopen.
Als je daar zo staat, is het onvoorstelbaar dat je toch in slechts een aantal uren naar die dorpjes kunt lopen. Ze lijken zo ontzettend ver weg! En de benenwagen is het enige vervoermiddel dat je daar brengt (tenzij je op een ezeltjes of muildier gaat zitten). Er zijn geen auto’s, er is geen supermarkt van betekenis. Wij kochten een flesje cola dat over de datum was (net). Dat kan daar! Deze dorpjes hebben pas sinds een jaar electriciteit. Maar dat betekent niet dat ze nu een koelkast hebben. Nee - aardappels bewaren ze in kisten bekleed met riet (een jaar lang!), maïs bewerken ze tot meel of een soort popcorn, vlees wordt gezouten en gedroogd in de zon, aan de waslijn.
Als je hoort hoe de mensen hier leven - het is echt een reis met de teletijdmachine die je dan maakt!
Vanuit Tacna was het zes uur bussen naar Arequipa, de tweede stad van Peru (2325 meter hoog). En dat is te zien: grote buitenwijken, veel taxi’s (heel veel taxi’s) en ook heel veel mensen (een miljoen). En ook een stevige bierfabriek (Arequipeña) en een grote fabriek voor alpaca- en llamawol (aha, komt het daar vandaan!).
In Arequipa hadden wij een hostel net buiten het centrum, op loopafstand van de Plaza de Armas. En op Valentijnsdag is het daar superdruk! Met ballonnenverkopertjes (hartvormen natuurlijk), koetsjes met een bruidspaartje, kathedraalgangers, muzikanten, noem maar op.
Wij dineerden op een ballustrade langs dit grote plein, en werden slechts 5 keer ‘lastig gevallen’ door muzikanten, verkopers of bedelaars. We hebben er wel twee hele mooi schilderijtjes aan overgehouden!
De stad Arequipa heeft op iedere volgende straathoek wel een klooster of een kerk staan. De meeste zijn gemaakt van sillar, een witte, vulkanische steen (versteende as) - wat Arequipa de bijnaam ‘witte stad’ geeft.
Wij liepen telkens langs de kerk en het klooster van San Francisco (zie foto), vervolgens langs het Klooster van Santa Catalina en bij de Plaza de Armas staat de kerk van de Compañia. Die laatste is schitterend bewerkt aan de voorkant (dat gaat blijkbaar heel goed in sillar!).
We zijn ook in het klooster van Santa Catalina geweest. Dat is echt heel mooi. Het klooster is diverse keren half verwoest door een aardbeving (net als de rest van de stad trouwens), maar het is schitterend hersteld. Helemaal gemaakt van sillar, en met prachtige schilderingen in de portalen, waar de nonnen vroeger liepen. In dit klooster werd je non voor het leven - je kwam niet
meer in de buitenwereld. De nonnen hadden binnen het klooster een eigen huisje, compleet met keukentje. Het was erg bijzonder om te zien, we hebben er wel een uur of vier rondgelopen!
Om de omgeving van Arequipa te bekijken, hebben we de taxichauffeur gebeld die ons naar het hostel had gebracht. Die heeft ons door de buitenwijken van Arequipa gereden, naar de mooiste uitkijkpunten en een aantal interessante stops. De stad ligt aan de voet van vulkaan Misti, en dat is een indrukwekkend gezicht. En naast Misti zie je de Chachani en de Pichu Picchu, allemaal vulkanen natuurlijk, en op dit moment ook allemaal bedekt met een laagje sneeuw. Mooi!
Ook hebben we ‘het platteland’ gezien. Dat wil zeggen, de terrassen. Want hier op die steile hellingen moet je wel iets horizontaals maken. Veel mais, quinoa, en vooral alfalfa. Ik weet niet wat dat in het Nederlands is, maar het lijkt op klaver of luzerne, en de koeien en cavia’s worden er flink mee vetgemest. Ja, de cavia’s ook, want dat cholesterol-arme vlees is
hier heel erg populair. Op iedere menukaart staat wel ‘cuy’. Wij hebben ons nog niet zover kunnen krijgen. Arme Fixie, Frey, Bruno…
Wat tot slot nog het meeste opvalt aan, of eigenlijk in, Arequipa zijn de ontelbare hoeveelheden gele taxietjes. Het zijn kleine Daewootjes, die de president speciaal heeft laten invoeren als taxi in Lima en Arequipa. Je kan echt geen kant op of er rijdt zo’n taxietje. Handig, maar niet met twee grote en twee kleine rugzakken…!
Gisteren zijn we in Arequipa aangekomen. Zitten hier in een prima hostel ´Home Sweet Home´. Zo juist het beste ontbijt gehad van onze reis: pannekoeken, brood, ei, jam en coca-thee. Vandaag wat dingen bezoeken en een toertje boeken ergens.
We hebben het woestijnachtige gebied tussen Arica en Tacna doorkruist met een treinwagon op een dieselmotor. Het klonk net als een oude vrachtwagen (en zo rook het ook), maar we wiebelden alleen heen en weer op de rails. Het laatste deel in Tacna ging over een straat (tegen het verkeer in!), en toen gingen we door een groot hek het station van Tacna binnen.
In Tacna is niet zo heel veel te bezichtigen. De kathedraal is redelijk kaal, alleen versierd met honderden duiven op de vele randjes. Het park ervoor is wel mooi, lekker groen.
Maar er is ook een treinmuseum en daar moesten we natuurlijk heen. Het museum bleek te bestaan uit twee zalen in de gebouwen van het station: een met treinpostzegels uit de hele wereld en wat oude foto’s, en een met oude gereedschappen en machines. Toen mochten we over het hele station rondstruinen: de wagon waar we mee gekomen waren, stond al klaar voor de terugreis - hij was gedraaid op een draaicirkel, omdat hij anders achteruit moest. Achterin het station, waar de rails stopt, stond allerlei oud materieel, voornamelijk oude wagons. En in een grote schuur daarnaast stonden bijzondere dingen: meer oude wagons, wagens met motoren erop, en zelfs een oude Ford-vrachtwagen op treinwielen.
Echt heel apart om te zien, alles met een dikke laag stof erop, verroest, kapot en versleten.
Een nog meer verlaten indruk maakte de werkplaats: allemaal radarwerken, aandrijfbanden, werktafels, haarden voor smeedwerk… Eigenlijk alles wat ze nodig hadden om de grote locomotieven te onderhouden die over de pas van 4818 meter te rijden naar La Paz. Er stonden nog drie van dat soort locomotieven - helaas niet meer in rijdende staat, maar wel netjes onderhouden. Het zijn altijd immense machines als je daar vlak bij staat - indrukwekkend! Tussen de locomotieven stonden nog een Chevrolet en een Ford, personenauto’s op treinwielen, ook mooi onderhouden.
Al met al was het voornamelijk industrieel erfgoed dat hier bewaard wordt, en wij vonden het leuk en indrukwekkend om door zo’n verlaten werkplaats te lopen, waar tientallen jaren geleden hard gewerkt werd.
Na een week lang heerlijk niets te hebben gedaan in een leuk, klein, knus huisje in Arica zijn we vandaag met een klein beetje tegenzin weer op pad gegaan. Afgelopen week hebben we vooral geinternet, gemaild, gehaakt, gelezen, geslapen, zelf gekookt, gewassen en tv gekeken (we zijn weer helemaal bij met ER, Friends, Gilmore Girls en Two and a half man).
Vanmorgen zijn we op de trein naar Tacna, Peru, gestapt. Nou ja trein … het klonk als een vrachtwagen op rails. Na een rit van 1,5 uur door de woestijn zijn we in Tacna aangekomen. Snel een hostel opgezocht en beetje rond gelopen. Er is hier wel een mooi katedraaltje en een trein museum die we hebben bezocht met een paar mooie oude stoomlocs.
Morgen gaan we al weer verder, op naar Arequipa en vandaaruit verder naar Puno aan het Titicacameer en uiteindelijk Cusco ivm Machu Picchu of Mapi zoals ze hier zeggen. We houden jullie op de hoogte!